Nederland heeft drie inheemse slangen: de ringslang, de gladde slang en de adder. De ringslang en de gladde slang worden het vaakst met elkaar verward, terwijl ze duidelijk van elkaar verschillen in uiterlijk, leefgebied en gedrag. Hieronder zie je precies hoe je ze uit elkaar houdt.
Ringslang en gladde slang: zo herken je ze
De ringslang (Natrix natrix) is de grootste van de twee. Een volwassen exemplaar wordt gemakkelijk 80 tot 120 centimeter lang, soms zelfs langer. Het meest opvallende kenmerk is de geel-witte of crèmekleurige halskraag, een duidelijke vlek aan weerszijden van de nek. De rug is olijfgroen tot grijsbruin, met kleine donkere vlekjes langs de zijkanten. De schubben voelen licht korrelig aan.
De gladde slang (Coronella austriaca) is een stuk kleiner en compacter. Volwassen dieren meten meestal 50 tot 70 centimeter. De naam zegt het al: de schubben liggen vlak tegen het lichaam en geven een glanzende, gladde indruk. De kleur varieert van grijsbruin tot roodbruin, met een rij kleine donkere vlekken of een vlekkig patroon op de rug. Op de kop loopt vaak een donkere streep van de snuit over het oog naar de nek. De halskraag van de ringslang ontbreekt volledig.
| Kenmerk | Ringslang | Gladde slang |
|---|---|---|
| Lengte | 80 tot 120 cm (soms meer) | 50 tot 70 cm |
| Kleur rug | Olijfgroen tot grijsbruin | Grijsbruin tot roodbruin |
| Halskraag | Ja, geel-wit | Nee |
| Schubben | Licht korrelig | Glad en glanzend |
| Kopstreep | Afwezig | Donkere streep over het oog |
Leefgebied: waar vind je welke soort?
De ringslang houdt van vochtige omgevingen. Je treft hem het vaakst aan langs sloten, vijvers, moerassen en in de buurt van water. Hij zwemt goed en eet voornamelijk kikkers, padden en salamanders. Tuin- en parkpopulaties komen voor in de buurt van composthoopen, want de ringslang legt haar eieren in rottend plantenmateriaal dat warmte afgeeft.
De gladde slang heeft een voorkeur voor droge, zonnige plekken met veel schuilmogelijkheden. Heideterreinen, zandverstuivingen en droge bosranden zijn haar thuis. Ze eet voornamelijk hagedissen, waaronder de levendbarende hagedis, maar ook kleine muizen en soms andere slangen. De gladde slang is zeldzamer dan de ringslang en staat op de Rode Lijst als kwetsbare soort in Nederland.
Gedrag: hoe reageren ze op mensen?
Beide soorten zijn niet giftig en bijten zelden als je ze met rust laat. De ringslang heeft een bekende verdedigingstruc: bij gevaar doet hij alsof hij dood is (thanatose) en geeft soms een stinkende vloeistof af vanuit klieren bij de staart. Als je er toch te dicht op komt, vlucht hij bij voorkeur het water in.
De gladde slang is een stuk schuchterer en trekt zich snel terug onder stenen of in strooisel. Wordt ze toch vastgepakt, dan kan ze bijten, maar de beet is onschadelijk. Omdat ze zo goed verborgen leeft, zie je haar veel minder vaak dan de ringslang, zelfs in gebieden waar ze voorkomt.
Bescherming en wat je moet weten als je ze tegenkomt
Zowel de ringslang als de gladde slang zijn volledig beschermd onder de Wet natuurbescherming. Je mag ze niet vangen, doden of opzettelijk verstoren. Kom je er een tegen, laat haar dan gewoon haar gang gaan. Raak haar niet aan als dat niet nodig is.
De gladde slang heeft het in Nederland moeilijk door het verdwijnen van geschikte heideterreinen en droge, zandige landschappen. Ringslangen profiteren van tuinen met een vijver of composthoop, maar zijn ook gevoelig voor verlies van waterrijke natuur. Beide soorten zijn een teken van een gezond ecosysteem en het is waardevol ze te signaleren via waarnemingsplatforms zoals Waarneming.nl, zodat verspreiding en populaties goed in kaart blijven.
Zie je een slang in je tuin of in het veld, kijk dan eerst naar de halskraag en de schubben. Geel-witte vlek bij de kop en een groengrijze kleur? Dan is het een ringslang. Glad, wat glanzend en zonder halskraag? Dan heb je het geluk een gladde slang te zien, een van de zeldzaamste slangen van Nederland.





